Hoe bouw je een goede workshop, training, les of bijeenkomst op? Je hebt met veel rekening te houden. Lokatie, ruimte, tijdsduur, inhoud, werkvormen, deelnemers, doelstellingen, en ga zo maar door. Goede voorbereiding is dus vereist.
Trainers, facilitators en docenten hebben echter veelal de neiging om het programma zo op te bouwen dat het aansluit bij hun persoonlijke voorkeuren. De voorkeuren in relatie tot bijvoorbeeld hun eigen leerstijl. De visuele, auditieve of kinestetische voorkeuren. Of de voorkeuren ten aanzien van werkvormen, techniekgebruik en de wijze van communiceren.
Om een sessie effectiever te maken, is het goed om je eigen voorkeuren te kennen, maar ook die van deelnemers met andere mogelijke voorkeuren. Je kan daardoor immers beter aansluiten bij de voorkeuren van iedereen in de groep en zo een programma opzetten dat effectief is voor iedereen.
In dit stuk staan, in relatie tot eerder genoemde voorkeuren, een aantal aandachtpunten waar je rekening mee kan houden bij het voorbereiden van een workshop, les of bijzondere sessie.
Leerstijlen
Iedereen heeft een persoonlijke leerstijl, dat wil zeggen: een manier van omgaan met leerstof en leeractiviteiten. Er zijn bijvoorbeeld mensen die het fijn vinden om te leren door veel vragen te stellen. Anderen zijn echte doeners, zij willen het liefst meteen met iets aan de slag.

Trainers, docenten of facilitators (verder in dit stuk zal ik hiervoor facilitator gebruiken) kunnen hun sessies verbeteren als ze de leerstijl van anderen begrijpen. Ze kunnen de behandelde stof of vaardigheden meerdere verschillende manieren aanbieden, zodat alle deelnemers er iets mee kunnen. Een ‘toepasser’ wil vooral het praktische nut begrijpen. Een ‘denker‘ vraagt om intellectuele uitdagingen: wat is het verband met de kennis die hij al heeft? De ‘doener’ wil graag in het diepe springen van een praktische opdracht en houdt van experimenteren. De ‘waarnemer’ hoort of ziet graag verschillende visies op een probleem.
Kolb, de grondleger van de theorie over leerstijlen, is van mening dat men met name in het onderwijs vaak te beperkt is in het gebruik van leermethoden. Hierdoor krijgen studenten alleen les volgens de stijl die past bij hun vakgebied of volgens de stijl die de docent het makkelijkst vindt. Vaak de eigen voorkeur dus. Past de natuurlijke leerstijl van de ‘doener’ bij me, dan zal ik als facilitator eerder en vaker geneigd zijn om actieve werkvormen in te zetten. Als ik daarentegen meer de leerstijl van de ‘denker’ bij me draag, dan zal ik waarschijnlijk vaak beginnen of stil staan bij de theorie van het onderwerp en daar naar terugkoppelen. Als ‘toepasser’ krijgen mijn deelnemers waarschijnlijk vaak te horen wat het nut voor hen is en waarom het belangrijk is.
Kolb vindt echter dat facilitators van leerprocessen alle stijlen zou moeten beheersen en dit ook in de praktijk van een sessie allemaal naast elkaar moet inzetten. Constant de leercirkel doorgaan. Door de werkvormen die je kiest en achter elkaar zet, maar ook binnen de werkvorm zelf kan je hier bewust mee omgaan. ’Cirkelen rond Kolb’ is bij je voorbereiding dus van groot belang en zal het effect van je sessie bij iedereen vergroten. Het evenwicht dat je aanbrengt in de verschillende leerstijlen, zullen de deelnemers als zeer prettig ervaren en meer geboeid houden.
Visueel, auditief, kinesthetisch
Mensen hebben voorkeuren voor waarnemingsvormen. De één is meer visueel ingesteld, de ander meer auditief en de derde kinesthetisch. Vaak draagt men twee van deze drie meer in zich. Zaak voor de facilitator dus om in het programma voldoende aandacht te besteden aan al deze verschillende stimuli.
Met bijvoorbeeld beelden, filmpjes, grote gebaren en veel beweging, spreek je veel mensen aan, maar de auditieven onder ons willen ook wel eens even rustig naar je luisteren als je op een normale manier je verhaal vertelt. Het switchen tussen visueel en auditief gebeurt natuurlijk vrij gemakkelijk. Het is daarom dat facilitators vaak flipovers gebruiken en daar zo een beetje omheen hangen en hun verhaal doen. Ze bouwen voor je ogen een model op naar aanleiding van een helder niet te lang verhaal.
Kinestetische ingestelde mensen hebben er behoefte aan om op en in hun gevoel aangesproken te worden. Daar veel van de visueel of auditief ingestelde mensen deze stimulus ook prefereren, is het dus van belang momenten in te bouwen waar dit gebeurt. Dit kan op vele manieren. Je kan denken aan werkvormen waarbij deelnemers introspectief te werk gaan, vormen waarbij door middel van beelden het onbewuste wordt aangesproken of door middel van hoe jij als facilitator zaken overbrengt. Loop je dichter naar de mensen toe en ga je zachter en langzamer praten, dan zullen mensen meer in hun gevoel aangesproken worden door je. Ook als je je impact wilt vergroten op een bepaald moment en je woorden echt wil laten aankomen, is dit een manier om dat te bereiken. Doe dit overigens weer niet te vaak achter elkaar, want dan verliest het zijn effect.
Naast de V.A.K., kan ook de geur- en smaakstimuli hier nog genoemd worden. Zeker bij creatieve sessies kan dit ook ingezet worden om kansen tot ideeën te benutten.
Werkvorm- en techniekgebruik
De technieken die je als facilitator inzet, heb je vaak door ervaring (leerstijl?) gekozen. Technieken die hun succes bewijzen en je lekker af gaan, zal je sneller weer inzetten.
Bedrijfsblindheid ligt echter op de loer! Passen die technieken, die jij zo lekker vind en vaak ook goed aanslaan, wel in alle situaties dat je deze toepast? Sta je hier bij de voorbereiding nog wel bij stil? Pas je de technieken aan als je ziet dat het bij de groep niet goed werkt? Doe je niet te veel dezelfde soort technieken achter elkaar? Zorg je er voor dat je met je technieken de houding van de groep van passief naar actief krijgt?
Communicatie
Ook je manier van communiceren, je taalgebruik en houding, hebben veel effect op de groep en daardoor ook op het leerproces. Als je met je communicatie niet op dezelfde golflengte zit als de deelnemers, zal je effect minder groot zijn. Zorg er dus voor dat je wel op dezelfde golflengte zit. Gebruik dezelfde woorden als je deelnemers, spreek met dezelfde intonatie, maak vergelijkbare bewegingen, neem dezelfde houding aan en kijk mensen diep en indringend aan.
Als je het taalgebruik van mensen legt naast de eerder genoemde visueel, auditief of kinesthetische voorkeur, dan is het ook zo dat mensen vaak spreken in deze voorkeuren:
Visueel ingestelde mensen gebruiken verbale uitingen zoals: ‘Zo ziet het er voor mij uit’, ‘Ik zie wat je bedoelt’, Maak ik het beeld duidelijk voor je? of ‘Ik kan me niet voorstellen dat ik dat zou doen’
Auditieve mensen gebruiken uitingen als: ‘Dat klinkt goed’, ’Ik hoor wat je zegt’, ‘Klinkt wat ik zeg je goed in de oren’ of ‘Er gaat een belletje rinkelen’
Kinesthetische mensen gebruiken zinnetjes als: ‘Dat voelt goed’, ’Ik voel dat ik je begrijp’, Het voelt niet goed aan wat je aan het doen bent’ of ‘Ik krijg er gewoon geen greep op’
Door af te stemmen op de woorden die de ander gebruikt en de taal van de ander volgt, creëer je makkelijker een atmosfeer van begrip en verstandhouding. Neem je taalgebruik dus eens onder de loep en gebruik verschillende woorden behorend bij de visueel, auditief en kinesthetische voorkeuren.
De communicatievoorkeur van de facilitator is dus lang niet altijd effectief bij bepaalde groepen mensen. Verbaal en non-verbaal heb je voorkeuren die vaak ‘ingebakken’ zijn. Door hier bewust van te zijn en je communicatie aan te passen aan de groep die je voor je hebt, zal je de mensen geleidelijk kunnen verleiden naar de door jouw gewenste energie, snelheid en inzet.